Psalm 12
De woorden van de HEERE zijn reine woorden
Gods Woord · 1773
Vers 1
Daar 't volk ontbreekt, dat liefd' en vreê betracht.
De trouw bezwijkt, en 't klein getal der vromen
Nog kleiner wordt in 't menselijk geslacht.
Vers 2
De vleierij, een bron van bitt're smart,
Glijdt van de tong als vloeiend' oliebeken;
Zij spreken niet dan met een dubbel hart.
Vers 3
En 's mensen hart, hoe listig ook, doorziet,
Snij' spoedig af de lippen, die ons vleien,
De trotse tong, wier grootspraak elk verdriet.
Vers 4
Met onze tong, zij staat in ons geweld;
Wat oppermacht zet onze lippen palen?
Wie is de HEER, die ons de wetten stelt?”
Vers 5
Omdat het kermt, nooddruftig treurt, en zucht;
Zal Ik”, zegt God, “Mij nu ter hulp begeven;
En drijven, die hen aanblaast, op de vlucht.”
Vers 6
Is zuiver, als het allerfijnst metaal;
Nooit is het schuim van 't zilver zo geweken,
Schoon in den kroes gelouterd zevenmaal.
Vers 7
Hoe 't ga, o HEER, bewaren door Uw kracht;
Uw arm zal hen in eeuwigheid behoeden
Voor dit verdraaid en wrevelig geslacht.
Vers 8
En draaft rondom, terwijl hij 't land beroert;
Daar 't snoodste volk de teugels krijgt in handen,
En tot den top van eer wordt opgevoerd.
Die KI het die psalmteks en die insig as konteks.
KI kan foute maak. Gebaseer op psalmteks en Christelike eksegese.