Psalm 62
Rust in God
Boek II · 1773
Vers 1
Van Hem wacht ik een heilrijk lot;
Hij immers zal mijn rotssteen wezen,
Mijn heil, mijn hulp in mijn gebrek,
Mijn toevlucht en mijn hoog vertrek:
Ik zal geen grote wank'ling vrezen.
Vers 2
Het kwade nog van zulk een man?
Uw kracht is veel te zwak en teder;
Haast sterft gij allen door Gods hand;
Zo stort een ingebogen wand,
Een aangestoten muur terneder.
Vers 3
Om hem uit zijnen hogen staat
Te stoten met bedrog; en zoeken
Met lust hiertoe een leugenvond;
Zij zeeg'nen wel met hunnen mond,
Maar 't godd'loos hart doet niets dan vloeken.
Vers 4
Stel u gerust, zwijg Gode stil;
Ik wacht op Hem; Zijn hulp zal blijken.
Hij is mijn rots, mijn heil in nood,
Mijn hoog vertrek; Zijn macht is groot;
Ik zal noch wank'len, noch bezwijken.
Vers 5
Mijn sterke rots, mijn tegenweer;
God is mijn toevlucht in het lijden.
Vertrouw op Hem, o volk, in smart,
Stort voor Hem uit uw ganse hart:
God is een toevlucht t' allen tijde.
Vers 6
Slechts ijdelheid, een damp, een schijn;
De grote anders niet dan logen;
Zij zouden, hoe hun hart zich vleit,
Nog lichter zijn dan d' ijdelheid,
In ene weegschaal opgewogen.
Vers 7
Nooit op geweld of roverij,
En wordt niet ijdel, als 't vermogen
Gedurig aanwast; waakt en let.
Dat gij het hart er nooit op zet;
Zo wordt ge door geen schijn bedrogen.
Vers 8
Tot tweemaal toe heb ik 't gehoord:
"Dat 's HEEREN zijn de sterkt' en krachten."
Ook is bij U de goedheid, HEER;
Dies heeft van U elk sterv'ling weer,
Vergelding naar zijn werk te wachten.
L'IA utilise le texte du psaume et l'éclairage comme contexte.
L'IA peut faire des erreurs. Basé sur le texte du psaume et l'exégèse chrétienne.