Psalm 40
Hij trok mij op uit een kuil vol slijk
Lijden naar hoop · 1773
Vers 1
En Hij heeft zich tot mij geneigd;
Ik riep, door nood op nood bedreigd,
Hij gaf gehoor aan mijne jammerklacht.
Mij, in den kuil verzonken,
Mij heeft Hij hulp geschonken,
Gevoerd uit modd'rig slijk;
Mij op een rots gezet,
Waar ik, met vasten tred,
Die jammerkolk ontwijk.
Vers 2
Een lofzang. Velen zullen 't zien,
En God eerbiedig hulde biên,
Hem vrezen, en vertrouwen op den HEER.
Wel hem, die 't Opperwezen
Dus kinderlijk mag vrezen,
Op Hem vertrouwen stelt,
En, in gevaar, geen kracht
Van ijd'le trotsaards wacht,
Van leugen of geweld.
Vers 3
Wie is 't, die 't onbepaald getal
Van Uw gedachten melden zal?
Wat geest zo vlug, wat tong zo welbespraakt?
Geen slachtvee, geen altaren,
Vol spijs ten offer, waren
Het voorwerp van Uw lust;
Gij hebt mij naar Uw woord,
Mijn oren doorgeboord,
En 't lichaam toegerust.
Vers 4
Voldeden aan Uw eis, noch eer.
Toen zeid' ik: "Zie, ik kom, o HEER;
De rol des boeks is met Mijn naam vervuld.
Mijn ziel, U opgedragen,
Wil U alleen behagen;
Mijn liefd' en ijver brandt:
Ik draag Uw heil'ge wet,
Die Gij den sterv'ling zet,
In 't binnenst' ingewand."
Vers 5
'k Bedwing mijn tong en lippen niet;
Gij weet het, HEER, die alles ziet.
Mijn hart verbergt nooit Uw gerechtigheid;
Uw waarheid doe ik horen;
Uw heil, den mens beschoren,
Vloeit daaglijks uit mijn mond;
Uw gunst, Uw trouw, Uw woord
En Godsgeheimen, hoort
Uw talrijk volk in 't rond.
Vers 6
Mij nooit, in knellend zielsgevaar;
Dat mij Uw gunst en trouw bewaar',
Daar ik door ramp op ramp mij vind bestreên.
Ik voel mij aangegrepen
Door zonden, fel benepen;
Een heir, niet t' overzien;
Die ik veel minder, dan
Mijn hoofdhaar, tellen kan;
Zij doen mijn krachten vliên.
Vers 7
O HEER, bied vaardig onderstand;
En overstort met schaamt' en schand'
Hen, die mijn ziel vervolgen tot den dood;
Laat z' achterwaarts gedreven,
Met schand' in 't vluchten sneven,
Wier lust is in mijn kwaad;
Verwoesting zij het loon,
Voor al den schimp en hoon
Van hem, die mij versmaadt.
Vers 8
Die naar U zoeken t' elken stond';
Leg steeds Uw vrienden in den mond:
"Den groten God zij eeuwig lof en eer."
Schoon 'k arm ben en ellendig,
Denkt God aan mij bestendig;
Gij zijt mijn hulp, mijn kracht,
Mijn redder, o mijn God,
Bestierder van mijn lot,
Vertoef niet, hoor mijn klacht.
Arrière-plan
Psalm 40, een dankzang van David, werd geschreven na zijn bevrijding uit de benarde situatie van een kuil; historisch gezien weerspiegelt het de liturgische overgang van klaaglied naar lofzang in de eredienst. Theologisch benadrukt het vertrouwen in Gods redding, de afwijzing van lege offers en de toewijding aan Gods woord als bron van hoop.
Message central
De psalmdichter beschrijft hoe God hem uit de diepte van lijden (de kuil) tilde en op een stevige rots plaatste, waarna hij dankbaarheid uitspreekt en zich wijdt aan ware aanbidding, niet aan rituele offers. De kern is een beweging van wanhoop naar hoop, geworteld in God’s barmhartigheid en trouw.
Pour aujourd'hui
Vandaag nodigt deze psalm ons uit om in persoonlijke crisis God’s hulp te zoeken, ons lijden om te zetten in lof en ons geloof te baseren op Zijn woord in plaats van op uiterlijke rituelen. Het leert ons dat ware hoop groeit wanneer we ons afhankelijk stellen van Gods constante genade en rechtvaardigheid.
Questions d'approfondissement
Hoe verandert de metafoor van de kuil en de rots onze perceptie van lijden en herstel?
Wat betekent het afwijzen van 'lege offers' voor onze moderne vorm van aanbidding en ethiek?
Op welke manieren kunnen we in ons dagelijks leven de transitie van klaaglied naar hoopvolle lof uit de psalm praktisch beleven?
L'IA utilise le texte du psaume et l'éclairage comme contexte.
L'IA peut faire des erreurs. Basé sur le texte du psaume et l'exégèse chrétienne.