Psalm 88
HEERE, God van mijn heil — dag en nacht roep ik
Gevangenschap · 1773
Vers 1
Tot U hef ik mijn droeve klachten;
Ik roep, bij dagen en bij nachten,
Tot U in mijnen jammerstaat;
Ik nader biddend; wil mij horen,
En neig tot mijn geschrei Uw oren.
Vers 2
Wordt moedeloos, wil mij begeven;
Het einde nadert van mijn leven;
'k Ben krachteloos en afgemat;
Ik ben, door overmaat van kwalen,
Als zij, die reeds ten grave dalen.
Vers 3
Der doden, die, ter neer geslagen,
In 't bloeien van hun blijde dagen
Gestuit in hunnen levensloop,
Met aard' bedekt, van elk vertreden,
Door Uwe hand zijn afgesneden.
Vers 4
ln diept', in duisternis gesloten;
Uw grimmigheid heeft mij verstoten,
Mij neergedrukt, mij troost ontzegd;
Gij doet op mij Uw oordeel komen,
Als onweerstaanb're waterstromen.
Vers 5
Zij zijn vervreemd van mededogen;
Ik ben een gruwel in hun ogen,
Gij wendt hen allen van mij af.
Een bange kerker doet mij zuchten;
Ik kan de banden niet ontvluchten.
Vers 6
Mijn moed verflauwt, mijn leden beven;
Uw dierb're gunst heeft mij begeven;
De vlam Uws toorns doet mij vergaan;
'k Moet dag aan dag met duizend rampen,
Als met het woên der golven, kampen.
Vers 7
Om al mijn angst, om al mijn lijden;
O HEER, wil mij van straf bevrijden;
Ach, toon U tot mijn hulp gereed;
'k Smeek dag aan dag om Uw ontferming;
Leen mij de hand tot mijn bescherming.
Vers 8
Zult g' overleed'nen doen verrijzen,
Om hier Uw groten naam te prijzen?
Zal 't graf Uw wijzen raad bevroên,
Zal daar Uw goedheid zich verspreiden,
Zal 't woest verderf Uw trouw verbreiden?
Vers 9
Waarom verbergt G' uw gunstrijk' ogen?
'k Was van der jeugd af neergebogen,
Bedrukt, en worst'lend met den dood;
Ik moet, vol angst, Uw gramschap dragen,
'k Ben twijfelmoedig en verslagen.
Vers 10
Mijn moed verflauwt, mijn leden beven;
Uw dierb're gunst heeft mij begeven;
De vlam Uws toorns doet mij vergaan;
'k Moet dag aan dag met duizend rampen,
Als met het woên der golven, kampen.
Vers 11
Van mij verwijderd in mijn lijden,
Zodat mijn ziel, hoe z' ook moet strijden,
Bij niemand heul of bijstand vindt;
'k Zoek hen vergeefs, 'k moet eenzaam wenen;
Al mijn bekenden zijn verdwenen.
Contexto
Psalm 88 is een van de donkerste psalmen, waarschijnlijk geschreven tijdens de Babylonische ballingschap, en weerspiegelt een diep gevoel van verlatenheid en geestelijke gevangenschap. Theologisch gezien benadrukt de psalm de onverbiddelijke aanwezigheid van God zelfs in de meest uitzichtloze duisternis, wat een contrast vormt met de gebruikelijke hoopvolle psalmen.
Mensagem central
De kernboodschap is dat zelfs in de meest benarde 'gevangenis' van lijden en isolatie, de gelovige tot God roept, zoekend naar een teken van genade, terwijl hij worstelt met de schijnbare afwezigheid van verlossing.
Para hoje
Vandaag nodigt deze psalm gelovigen uit om eerlijk hun gevoelens van geestelijke opsluiting te uiten, te erkennen dat gebed geen garantie op directe verlossing biedt, maar een bron van volharding blijft. Het herinnert ons eraan om medeleven te tonen voor degenen die zich gevangen voelen in emotionele of sociale situaties.
Perguntas de aprofundamento
Hoe kan de metafoor van een duistere kelder in Psalm 88 ons helpen om hedendaagse vormen van psychologische gevangenschap te begrijpen?
Welke rol speelt het herhalen van lijdensverslagen in de psalm voor de vorming van een geloofsgemeenschap die lijden deelt?
In welke manier kan de stilte van God in deze psalm ons aansporen tot een dieper, actiegerichter christelijk engagement met onderdrukte of gemarginaliseerde groepen?
A IA tem o texto do salmo e a reflexão como contexto.
A IA pode cometer erros. Baseado no texto do salmo e na exegese cristã.