Psalm 99
De HEERE is Koning — de volkeren beven
Gods koninkrijk · 1773
Vers 1
Beeft, gij volken, eert,
Eert Zijn hoog bestel,
Die bij Israël
Tussen Cherubs woont,
En Zijn grootheid toont;
Dat zich d' aard bewege;
Hij is Isrels zege.
Vers 2
Is in Zion groot;
Aller volken macht
Niets bij Hem geacht;
Buigt u dan in 't stof,
En verheft met lof
't Heilig Opperwezen;
Wilt het eeuwig vrezen.
Vers 3
Looft de kracht van Hem,
Die het recht bemint
In Zijn rijksbewind.
't Recht hebt Gij gestaafd;
't Geen G' aan Jacob gaaft,
Toond' aan Isrels leden
Recht en billijkheden.
Vers 4
Knielt op Zijn gebod,
Voor Zijn voetbank neer;
Heilig is de HEER
Op Zijn hogen troon.
Amrams grote zoon
En zijn broeder waren
Bij zijn priesterscharen.
Vers 5
Op Gods hoog bevel,
Biddend voor Zijn volk,
Als een hemeltolk;
Hij en and'ren meer
Riepen tot den HEER,
Die met gunstig' oren
Hun geroep wou horen.
Vers 6
In een wolkkolom,
Heeft Hij Zijne wet
Bij hen ingezet,
Die door 's HEEREN kracht,
Van hen werd volbracht.
't Nakroost der Hebreeuwen
Volge dit all' eeuwen.
Vers 7
Hebt hun wens voldaan;
HEER, die naar Uw woord,
Hun gebed verhoort,
Gij, Gij waart hun lot,
Hun vergevend God;
Schoon z' ook om hun zonden,
Straffen ondervonden.
Vers 8
Onzen God en HEER;
Klimt op Sion, toont
Eerbied, waar Hij woont,
Waar Zijn heiligheid
Haren glans verspreidt:
Heilig toch en t' eren
Is de HEER der heren.
The AI uses the psalm text and the insight as context.
AI can make mistakes. Based on psalm text and Christian exegesis.