Psalm 73
Vers 1
God is Zijn volk, wat Hij ook doet,
te allen tijd nabij en goed.
Hij zal voor hen een Helper wezen
die, rein van hart, de HEERE vrezen.
Maar wat betreft mijn levensweg,
ik werd verward door overleg;
mijn voeten dwaalden bijna af,
mijn schreden neigden naar het graf.
Vers 2
Want ik benijdde in mijn hart
de dwazen; 't baarde diepe smart
te zien hoe goddeloze mensen
de voorspoed krijgen die zij wensen.
Geen kwaal of kwelling stremt hun pad;
hun weg is tot hun dood toe glad.
Hun kracht is fris, zij zijn gezond,
welvarend tot hun avondstond.
Vers 3
Draagt menig mens vermoeid zijn last,
die dwazen staan in voorspoed vast.
Zij worden vaak met zulke plagen
als and'ren krijgen, niet geslagen.
Daarom omringt aan elke zij
hen 't halssieraad van hovaardij.
Geweld dat van geen wijken weet,
is hun een sierlijk opperkleed.
Vers 4
Hun ogen puilen weeld'rig uit
van vet, dat op hun gladde huid
en wangen druipt. Zij overlopen
de toppen van hun stoutste hopen.
Zij mergelen de mensen uit;
boosaardig prijzen zij hun buit
en spreken zo, dat ieder 't hoort.
Zij voeren steeds het hoogste woord.
Vers 5
Zij schromen zelfs geen enk'le stond
om God te honen met hun mond.
Hun tong doen zij op aarde draven
om zich aan lastertaal te laven.
Gods volk keert zich daarom hiertoe,
door al die leugens zwak en moe,
wanneer men uit hun droevig hart
steeds bekers perst vol bitt're smart.
Vers 6
Zij zeggen dan: 'Weet God ervan,
daar Hij hen toch bestraffen kan?
Zou d' Allerhoogste mij vergeten
en van hun trotse taal niet weten?'
Zie, dezen zijn zo goddeloos
en vol van kwaad; hun oog is boos.
Toch vinden zij op aarde rust.
Hun groeiend saldo is hun lust.
Vers 7
'Het is vergeefs dat ik mijn hart
gezuiverd heb,' zeg ik verward,
'dat ik gewassen heb mijn handen
in onschuld, rein van zond' en schande.
Want elke dag is als vandaag:
steeds is er weer een nieuwe plaag;
en nooit was er een morgenstond
waarop ik geen bestraffing vond.'
Vers 8
Maar spreek ik volgens dit besluit
en draag ik deze dwaasheid uit
dat God Zijn kind'ren zou vergeten,
dan moet ik zeker trouw'loos heten.
Nochtans, al houdt mijn tong zich stil,
als ik het overdenken wil,
dan is dit raadsel mij te groot,
zodat ik aan Gods weg mij stoot.
Vers 9
Dit duurde tot ik in het licht
kwam van Gods heilig aangezicht
en in het heiligdom bemerkte
waarop het uitliep wat God werkte.
U stelt hen immers op een pad,
hoe hoog ook, 't is gevaarlijk glad;
zij storten van die top van eer
in eeuwige verwoesting neer.
Vers 10
Zij worden in een ogenblik
door Gods besturing, tot hun schrik
verwoest, hun einde zal snel komen;
dan is 't gedaan met al hun dromen.
Zoals wie uit zijn slaap ontwaakt,
al wat hij droomd', is kwijtgeraakt,
zo blijkt, o God, hun schijn vergaan
als U erover op zult staan.
Vers 11
Toen in mij 't opgezwollen hart
mijn hoofd en denken had verward
en ik, geprikkeld in mijn nieren,
mijn hartstocht niet meer kon bestieren,
toen ben ik dwars en dwaas geweest
zoals een onvernuftig beest,
maar U hebt mij terechtgebracht,
waar men het lam op 't altaar slacht.
Vers 12
Bij U zal ik gedurig zijn
U houdt mij vast in nood en pijn,
in wat mij ook mocht overkomen.
U hebt mij bij de hand genomen.
U zult mij leiden door Uw raad,
o God, Die steeds mij gadeslaat,
en daarna mij, door U bereid,
opnemen in Uw heerlijkheid.
Vers 13
Wie heb ik in de hemel hoog
dan U, Die tot mij nederboog?
Wie kan op aarde mij verblijden,
dan U alleen, Die mij wilt leiden?
Bezwijkt mijn vlees, verteert mijn hart
in grote nood of bange smart,
dan is mijn God, in al die strijd,
mijn Rots, mijn Deel in eeuwigheid.
Vers 14
Wie ver van U zijn tijd verknoeit,
vergaat, wordt door U uitgeroeid.
U zult, die van U afhoereren
verdoen met d' afgoôn, die ze eren.
Maar mij aangaande, 't is mij goed
nabij mijn God, Die mij behoedt.
'k Vertrouw op God, Hij is mijn Al,
Wiens werken ik vertellen zal.