Psalm 28
Vers 1
Tot U, o HEERE, wil ik vluchten!
Mijn Rotssteen, hoor mijn schreiend zuchten.
Houd U niet doof en wil niet zwijgen,
want zou ik geen gehoor verkrijgen,
dan acht men mij, die tot U vlood,
als één die neerstort in de dood.
Vers 2
Verhoor mijn stem in biddend smeken,
als ik mijn handen op zal steken
naar d' aanspraakplaats, waar Gij wilt wonen.
Verstoot mij niet met die U honen,
met 't godd'loos volk, dat U verlaat
en met de werkers van het kwaad.
Vers 3
Wil hen die van de vrede spreken
met harten vol van kwade streken,
o HEERE, naar hun werken schenken,
en naar de list die zij bedenken.
Zie Gij hun boze werken aan;
vergeld het kwaad, door hen gedaan.
Vers 4
Want nooit begeert hun hart te leren;
zij letten niet op 't werk des HEEREN.
Zijn daden willen zij niet achten;
Zijn doen is buiten hun gedachten;
dus zal Hij hen verbreken gaan
en niets van hen zal blijven staan.
Vers 5
Geloofd zij God, Hij is genadig:
mijn smeekstem hoorde Hij gestadig.
De HEERE is mijn Schild en Sterkte.
'k Vertrouwde Hem en Hij bewerkte
mijn heil, dus is mijn hart verheugd
en zing ik altijd van Zijn deugd.
Vers 6
God is de sterkte van de Zijnen
Wie Hij gezalfd heeft, zal niet kwijnen.
Verlos Uw volk en schenk Uw zegen,
o HEERE, over hen als regen.
Weidt Gij z' als schapen in de tijd;
verhef hen tot in eeuwigheid.