Psalm 53
Vers 1
De dwaas zegt bij zichzelf in overmoed:
Er is geen God. - 't Is onrecht wat zij plegen,
zij wandelen op gruwelijke wegen.
Nee, er is niemand die nog enig goed
bedenkt of doet.
Vers 2
God ziet vanuit de hoge hemel neer:
zal bij de mensen één verstandig blijken,
één die God zoekt en niet van Hem wil wijken?
Allen zijn afgeweken van de Heer,
geen dient Hem meer.
Vers 3
Hoe heeft het onverstand hen in zijn macht!
Hoe kunnen zij in kwaad doen vreugde vinden,
zij die mijn volk, als at men brood, verslinden?
Geen roept tot God, niet één die van Gods kracht
nog iets verwacht.
Vers 4
Heel onverwacht verschrikt hen Gods gericht,
want God verstrooit hen die u thans verdrukken.
U zelf beschaamt hen, doet hen voor u bukken,
want God verwerpt hen van zijn aangezicht
en dooft hun licht.
Vers 5
Dat toch uit Sion redding werd bereid!
Als God het lot voor Israël doet keren,
dan zal, al juichend, Jakob Hem vereren,
heel Israël Hem loven, zeer verblijd,
door Hem bevrijd.