Psalms menu
Psalm 101
Choose a versification to compare
Vers 1

Van Gods goedheid en oordeel wil ik zingen; 
Ik wil Hem schone lofpsalmen toebringen, 
Daarmee dat ik God den Heer bovenal 
Grootmaken zal.Vers 2

Ik wil wand'len met oprechten gemoede; 
Wann' zal ik heersen met vreed' in voorspoede? 
Dan wil ik mijn volk trouwelijk bijstaan 
En voren gaan.Vers 3

Van de boosheid heb ik, Heer, een afgrijzen; 
En die anders met der daad niet bewijzen 
Dan ergheid, die zullen in dat huis mijn 
Nimmermeer zijn.Vers 4

Ook de verkeerde mensen altemale 
Moeten wijken uit mijn hof en mijn zale; 
Hij zal van mij, die hem tot boosheid wendt, 
Niet zijn gekend.Vers 5

Die met achterklap haren naasten schaden, 
Die met grootsheid en hoogmoed is beladen, 
Die zal ik zamen uitroeien met vliet, 
En lijden niet.Vers 6

Mijn ogen zullen zien naar de oprechten, 
Opdat zulken mogen wezen mijn knechten; 
Mij zullen dienen, die vroom ende goed 
Zijn van gemoed.Vers 7

Die tot bedrog en list hem wil begeven, 
Die zal van mij in dienst niet zijn verheven; 
De leugenspreker en zal ook bij mij, 
Niet wezen vrij.Vers 8

Vroeg met ernst zal ik drijven uit den lande 
De bozen all', en t' zaam brengen te schande; 
Opdat Gods huis van boosheid groot en klein 
Gans worde rein.Psalm 101 is a psalm of David and belongs to Book IV (Psalm 90–106) of the Psalter.
Music: pcorgel.nl