Psalmen-Menü
Psalm 6
Wähle eine Nachdichtung zum Vergleich
Vers 1
Daer meed' ick ben beladen
In eenen grammen sin,
In uwen toorn vervaerlijck
Castijt
my niet soo swaerlijck
Als ick wel weerdich bin.
Vers 2
Aenschout mijn treurich kermen,
Want cranckheyt comt my aen.
Wilt my gesontheyt geven,
Want mijn gebeenten beven
Met flaeuwicheyt bevaen.
Vers 3
Mijn hert hem-selven quellet
In troosteloos verdriet.
My is te wonder bange,
Hoe lang' o Heer, hoe lange
Verhooret ghy my niet?
Vers 4
Wilt goedich van my weeren
Dees' commerlijcke quael,
Uit loutere genade
Mijn suchten niet versmade,
Maer helpet my eenmael.
Vers 5
Noch danckbaerheyt bewijsen
Verwonnen vande doot.
Wie isser, die begraven
Can roemen uwe gaven,
U name maken groot?
Vers 6
In een geduerich clagen,
Mijn leger maeck ick nat
Des nachtes met mijn weenen,
Mijn bedde swemt daer henen
Als in een tranen bat.
Vers 7
Terwijlen ick het richte
Na dien die my benout
En poget te verscheuren,
Mijn oogen zijn van treuren
In haest geworden out.
Vers 8
Ghy wreeden hoop, gaet strijcken,
Vliet altemael van hier;
God heeft ten langen lesten
Mijn jammer noch ten besten
Gebracht seer goedertier.
Vers 9
In eeuwicheyt mijn clachten,
Maer gaf my mijn begeer,
Mijn beden hem bewegen,
Ick heb van hem gecregen
Mijn hoope, en noch meer.
Vers 10
Mijn bloedige vyanden,
Sy zijn vol angst en schrick.
Te rugge sy haer keeren
Vol schaemten en oneeren,
In eenen oogen-blick.
Psalm 6 ist ein Psalm von David und gehört zu Buch I (Psalm 1–41) des Psalters. Bußpsalm: Die sieben traditionellen Bußpsalmen der Kirche.
Musik: pcorgel.nl